Het aspect

 

25.1
bladzijde 1 van 8

 

 

Inleiding

Bij de bespreking van de Zodiak werd duidelijk dat - naast het technische ontwerp (1.2) - ook de inhoudelijke betekenis van de Zodiaktekens van onszelf uitgaat als projectie op de omgeving (24.2). Gewoonlijk leven wijzelf echter in de veronderstelling dat de gebeurtenissen niet door ons worden opgeroepen, maar dat zij ons daadwerkelijk overkomen, in de zin van van-buiten-af-over-ons-heen-komen. Hiermee rijst de vraag langs welke onzichtbare route die projectie dan tot stand is gekomen.

 

DE Zodiak als aspectdrager

Eerder op deze site werd al aangegeven, dat de planeten in de horoscoop de reëel aanwezige lichamen aan de hemel zijn, terwijl daarentegen de tekens van de Zodiak alleen geprojecteerde waarden vertegenwoordigen (24.1). Echter, in de horoscoop interfereren deze twee factoren met elkaar: want de Zodiak is niet alleen een decor achter de planeetverschijning, of een meetlat voor de voortschrijdende tijd (24.4), maar ook de drager van de planeetaspecten.

 

Regelmatige lichamen

Het zal de lezer bekend zijn dat de aspecten gevormd worden op de ingeschreven regelmatige lichamen van de cirkel, met name het vierkant, de driehoek en het kruis.

De aspecten grijpen aan op de plaats waar de planeten in de Zodiak staan. Zodra een zodiakaleafstand tussen twee planeten overeenkomt met de hoekafstand van een van deze regelmatige lichamen, spreken we van een aspect tussen die twee planeten. (*) Waar de aspectvormende planeten in zodiaktekens van dezelfde elementen staan (vuur, aarde, lucht of water) worden de resulterende driehoeken harmonisch genoemd, terwijl bij de vierkanten en opposities de elementen niet overeenkomen en dus spanningen veroorzaken.

 

De omtrek als omstandigheid

Afhankelijk van het ingeschreven regelmatige lichaam waarop ze gebaseerd zijn zien we de aspecten dan ook in bepaalde tekencombinaties te voorschijn komen: de sextielen (60°) in twee positieve en negatieve tekens, de vierkanten (90°) en opposities (180°) in twee tekens behorend tot een van de drie kruisen (hoofd, vast of bewegelijk), en de driehoeken in twee tekens van eenzelfde element. In een bepaald aspect leeft zodoende het karakter van dat specifieke regelmatige lichaam waarop de aspecthoek aangrijpt.

In de om-ons-heen-staande Zodiak dragen deze lichamen dus de aspecten, die wij op onze beurt weer ervaren als een omtreksgegeven, als een omstand-igheid.

 

Het middelpunt als referentie

Nu is de Zodiak - zoals we in tekst 24.2 zagen - een afgeleide van de hellingshoek van de aardas. Deze hoek bevindt zich, vanuit de Aarde gezien, in het veld van de Zon. (15.1)

Daarnaast roept de aardas, door zijn eigen rotatie, zelf ook een energetisch veld op. (14.2) In dit veld beschouwen we de planeten niet als gerangschikt in het veld van de Zon, maar gerangschikt in het veld van de Aarde, met de aardas als roterende spil. (18.5 en 14.1)

 

Alleen voor de Aarde

Vanaf de Aarde zien we de planeten dus in bepaalde hoekverbanden ten opzichte van elkaar in de Zodiak staan. Let wel: kijkend vanuit een andere planeet zou een andere Zodiak te zien zijn en zouden diezelfde planeten andere hoeken of aspecten met elkaar maken (1.3). Daarom moet ook het planeetaspect, dat zich op Aarde aan ons voordoet, worden opgevat als een exponent (18.1) van de Aarde, omdat het - net als de sferische rangschikking (14.2) en de Zodiak (1.3) - alleen bestaat in relatie tot die roterende en rondgaande Aarde. (3.2)

 

Opnieuw een exponent van de Aarde

Zo leren we ook hier het aspect begrijpen als de uiterlijke verschijningsvorm van een centrale projectie, die zich tegen de achtergrond van de Zodiak weliswaar aan ons voordoet als een omgevingsfactor, maar feitelijk een exponent is van onszelf. (*)

 

Spankracht

Uit deze beschouwing blijkt dus dat het aspect, dat aan de omtrek verschijnt, uitgegaan is van de Aarde als middelpunt. Hierbij is de roterende aardas het agens van waaruit de hoek naar de omtrek wordt uitgeworpen. Over het traject van de planeetafstand spant die hoek de omtrek op.

Per analogie kunnen we nu voor de individuele mens zeggen, dat het Ik in zijn middelpunt, de spankracht levert voor een afdruk in de stof, die dus in het fysieke lichaam en de persoonlijke omstandigheden uitwerkt.

Aangrijping en uitwerking van de middelpuntspotentie

Nu is er over een mogelijke potentie van het middelpunt in rationele zin, niets bekend (17.1). Ook het Ik is geen concreet aantoonbare factor. We kennen beide echter als het ordenend centrum van het hun omringende veld (17.1) en hoewel hun invloed op zich niet kenbaar is, kunnen we deze, zodra die in de stof een aangrijpingspunt heeft, aan zijn uitwerking leren kennen.

Mogelijk kan de hierboven genoemde interferentie ons meer zicht geven op het werkingsmechanisme waarlangs de uitgeworpen spankracht tot manifeste, uiterlijke werkzaamheid komt.

 

 

literatuur, woordenlijst, inhoud per pagina, afbeeldingen,

tabellen en schema's, blauw gemarkeerde teksten