De planeten buiten de baan van Saturnus

 

23.2

bladzijde 2 van 12

 

Een eerste algemene verkenning

 

Bekend en onbekend

Hoewel de planeten buiten de baan van Saturnus nog niet zo lang bekend zijn, is er in vroeger eeuwen toch al veel over hun werkingen bericht. In de mythologie komen zij voor als grote krachten die de godenwereld bevolken. Ook in sprookjes, legendes en spookverhalen wandelen hun gestalten rond. Bovendien zijn de buitengewone zintuiglijke waarnemingen (ESP) van alle tijden. Maar daarnaast zijn er beschrijvingen bekend van verstoringen binnen het menselijk zieleveld, waarin de ontregelende werking van deze superkrachten kan worden vermoed.

In al deze berichten is voor ons relevante informatie te vinden.

 

De vraag naar onze identiteit

In onze verkenning van de relatie van Ik tot niet-Ik zouden we eigenlijk van het Ik moeten kunnen uitgaan. Er is daaromtrent ook wel enig houvast te vinden in de ontwikkelingspsychologie. Maar in dat vakgebied lopen de opvattingen toch ook sterk uiteen, zodat vooralsnog van het Ik geen vast omlijnde definitie kan worden gegeven. (17.1) Hetzelfde blijkt ook uit het feit dat door de tijden heen, afhankelijk van de gekozen uitgangspunten, in vele culturen over onze identiteit uiteenlopende opvattingen worden gegeven. Echter, naast deze verschillen, die dus heel divers kunnen zijn, is er een algemene overeenkomst te vinden in het gedeelde besef, dat aan het fysieke bestaan van de individuele mens een diepere identiteit ten grondslag ligt.

 

Een mogelijk misverstand

Van deze diepere identiteit wordt vaak gewag gemaakt in mythen en scheppingsverhalen. Daarin wordt het bestaan van de aardse mens geplaatst tegen een verborgen achtergrond. Zo wordt in de Bijbel gezegd dat God de mens schiep naar zijn beeld en gelijkenis. Met de antropomorfe voorstelling van God die dan vaak volgt lopen we de kans dat deze rolverwisseling het zicht op de oorspronkelijke boodschap van het verhaal wegneemt. In vele godsdiensten wordt het maken van zo'n vorm-beeld dan ook serieus afgeraden. Hiermee blijft de weg open naar een andere interpretatie van dit "Beeld en Gelijkenis".

 

De eerste twee broers 

Al eerder hebben we besproken dat het onstoffelijke, het onbenoembare dat zich in de stof kenbaar wil maken, zich uitdrukt in twee tegendelen. (7.1) Zo maken vele scheppingsmythen gewag van een mensenpaar, dat als eerste naar voren treedt. Adam en Eva en hun zonen Kain en Abel zijn, neem ik aan, bekend. Maar daarnaast kennen we ook de verhalen van Balder en Hoder, Castor en Pollux, Isis en Osiris tegenover Osiris en Seth, evenals Romulus en Remus en Gilgamesh en Enkidu. (*)

Het Ene onbenoembare drukt zich uit in deze tegendelen, terwijl het zelf niet in deze dualiteit treedt. (7.1)

 

Tegenstelling en verbinding

In deze mythen wordt steeds het tegengestelde karakter van de twee broers, die ieder een eigen rol in het scheppingsverhaal hebben, naar voren gebracht. Naast de polariteit man-vrouw treedt ook de figuur op waarin aan het begin der tijden één van beide partners of tweelingbroers sterft en de ander het leven op aarde verder alleen voortzet. Vaak betreft het dan een broedermoord. De gestorven broer leeft echter aan gene zijde door en fungeert daar als verborgen identiteit van zijn aardse counterpart. Hoewel hij diens aardse leven niet deelt, draagt hij dit leven wel, en verzekert zo de relatie van de aardse partner met zijn diepere achtergrond. Op deze diepere laag van het bestaan zijn beide broers dan ook blijvend met elkaar verbonden.

 

Ontwikkelingspsychologie

Wanneer we deze scheppingsverhalen overdragen naar het ontwikkelingsproces in een jong mens, dan kan na de geboorte (te zien als de verdrijving uit het paradijs) en het verbreken van de symbiotische relatie rond het derde levensjaar de Ik-ontwikkeling vaste voet aan de grond krijgen. (7.1, 20.1) Met het "Ik" zeggen identificeert het jonge kind zich met zijn of haar eigen voorstellingswereld. Als Ik-zegger wikkelt het zichzelf weliswaar in, maar tegelijkertijd kan ook zijn ont-wikkeling een aanvang nemen.

 

De tijd

De verankering van de aardse mens in diens hemelse achtergrond brengt een verschillende verhouding tot de tijd (lees: Saturnus) met zich mee: De levende broer is hier, op dit ondermaanse, een sterfelijk schepsel. Met de jaren maakt hij een Ik-proces door en wordt hij ouder, terwijl de gestorven broer in een andere dimensie verblijft en daar op een ander bewustzijnsniveau leeft. (3.1) Onaangedaan door de tijd kan hij dit bestaansniveau blijvend vertegenwoordigen. Zo draagt en behoedt hij de ziel van de aardse broer en staat daarmee garant voor diens voortbestaan na de dood.

In deze verhalen komt zo de opvatting naar voren, dat de diepere identiteit van de mens niet op dit ondermaanse met zijn saturnale, tijdelijke Ik-opvatting te vinden is, maar blijvend is geworteld in een andere, tijdloze dimensie, die weliswaar de onze doordringt, maar toch daaraan geen deel heeft. (3.1)

 

 

literatuurlijst, onderwerpen per pagina, woordenlijst, afbeeldingen,

tabellen en schema's, blauw gemarkeerde teksten