Planeetprincipes als Ik-dragers

een verdere uitwerking

 

21.1

bladzijde 1 van 3

 

Het referentiekader

Na onze reis over de roterende Aarde (14.1), biedt het werk van Erich Neumann ons een kader, waarbinnen we het Ik-proces kunnen benoemen in de astrologische termen, die we hiervoor (18.4) konden ontwikkelen. Immers, wanneer op de polen van de Aarde de omtrek ervan samenvalt met de aard-as (13.8), dan komen in die poolpunten het saturnaleprincipe en het zonneprincipe bijeen.

Deze conjunctie belichaamt het (roterende) Ik en is in tijd en plaats onbepaald. (13.8, 15.4, 17.1) .

Hierin is de Zon het middelpunt van straling en geeft Saturnus de verankering. Samen vormen zij de radix (letterlijk: de wortel). Vanuit deze conjunctie kunnen we nu de verschijningsvormen of dragers van het Ik (14.1, 19.1) wat specifieker benoemen:

 

De Maan - in haar omloopbaan

De baan van de Maan heeft zich op die afstand van de Aarde ingesteld, waar de wegvliegende beweging weg van de Aarde even sterk is, als de aantrekkende zwaartekracht van de Aarde naar haar toe. Op deze grenslaag van wegvliegen en terugvallen trekt de Maan haar zelfingestelde baan rond de Aarde en omhult deze zo met haar sfeer.

De snelle omlooptijd van de Maan (sneller dan die van alle planeten, 19.1) brengt met zich mee, dat de van buitenaf komende invloeden steeds deze Maansfeer moeten passeren, voordat zij de Aarde kunnen bereiken. De Maan fungeert hiermee als een soort doorlaatpost van en naar de Aarde. Vanuit de Aarde gezien kan de Maan ook worden opgevat als de voorpost van de Aarde naar de ruimte.

 

De Maan - als bemiddelaar voor een Ik

In haar omcirkelende baan heeft de Maan de Aarde (lees: de mens) als middelpunt. Als omhullende voedster en beschermster is zij voor het pasgeboren kind aanvankelijk een voortzetting van de baarmoeder toestand, van de natuur.

Echter, de zintuigelijke indrukken prikkelen nu het pas geboren kind, maken het wakker op zijn omgeving en op de spiegel van zijn moeder (20.1). In dat teruggekaatste beeld realiseert het kind de eerste relatie met zichzelf. De Maan als spiegel geeft het kind hiermee het eerste saturnaal aangrijpingspunt voor een Ik. Zij projecteert deze kern in het kind. Als grensbewaker en doorlaatpost biedt de Maan zo aan deze eerste ik-kern een aangrijpingspunt (19.1).

 

Eerste Ik-vorm

Bij deze basale Ik-vorm is er nog geen sprake van een separaat Ik, dat stelling neemt tegenover zijn omgeving als een niet-Ik. Met andere woorden: op dit aangrijpingspunt differentieert het Ik-besef zich niet of nauwelijks; het leeft voornamelijk in eenheid met en in reactie op zijn spiegelende omgeving. De symbiotische staat kan hier ook de doorlaatpost zijn van een nog intacte verbinding met het cosmische. In wetenschappelijke kringen is men overigens van mening, dat er in deze baby-fase nog geen herinneringen kunnen worden vastgelegd. De beeldvormende mogelijkheid daarvoor, de Maan, is echter wel aangeschakeld....

 

Saturnus - als Ik-functie

De baan van Saturnus omsluit dàt deel van het planetaire veld, dat voor het menselijk oog zichtbaar is. Weliswaar is in astronomische zin de Zon het middelpunt van zijn baan, maar in astrologische zin is hij vanuit de Aarde gezien de grens van het (voor de mens) zichtbare deel van het zonnestelsel; zodoende is hij in zijn functie van grenswachter gerelateerd aan de mens (lees: de Aarde)

Met dit saturnale aangrijpingspunt omvat het Ik het hem bekende deel van zijn omgeving en benoemt alles daarbuiten als een "niet-ik". Aan deze zelf bepaalde grens ontleent het zijn Ik-besef.

Dit primaire saturnale Ik biedt dus een omgevingsgerelateerd Ik-besef, dat zich (als voorlopige oplossing) kenmerkt door afscheiding. Neumann noemt deze verschijningsvorm het mannelijk aanzicht van het Ik.

 

Maan - als geleider

In haar omhullende functie beheert de Maan de individuele sfeer niet alleen door de processen die zich daarbinnen afspelen te voeden en beschermen, maar ook te faseren en temporiseren. Door de binnenkomende indrukken af te stemmen op ons incasseringsvermogen (vergelijk een semi-permeabele membraan) stuurt zij onze groeiprocessen aan. Voor haar spiegelende taak in deze staan haar vele invalshoeken en verschijningsvormen ter beschikking. Deze geven haar een bewegend en plastisch karakter, waardoor zij zich steeds weer in een andere vorm, in schijngestalten, kan vertonen (18.3). Hierin geeft zij ook vorm aan de wijze waarop deze processen aan de buitenwacht worden getoond en/of uitgestraald. Dit zal hierna verder worden uitgewerkt.

Als aangrijpingspunt voor het Ik en katalysator van het Ik-proces vertegenwoordigt de Maan zo een kwaliteit van bescherming-op-maat en persoonlijke groei. Neumann benoemt deze verschijningsvorm als het vrouwelijk aanzicht van het Ik.

 

Saturnus - als grensverlegger en doorlaatpost

Middels de Maan die groeiprocessen en zo emancipatie mogelijk maakt, ontstaat er in Saturnus een mogelijkheid om dit te incasseren en verwerken. Saturnus is echter aan zichzelf verplicht om niet te veranderen. Wel kan hij, wanneer de veranderingen voldoende zijn geconsolideerd, deze toelaten door zijn grenzen te verleggen, of de veranderingen door te laten, over te brengen, naar een ander gebied, een andere dimensie (3.1.a). In deze functie van veerman werkt hij dan samen met Uranus en wordt hij Janus met de beide aangezichten genoemd.

 

-.-.-.-.-

 

literatuurlijst, onderwerpen per pagina, woordenlijst, afbeeldingen,

tabellen en schema's, blauw gemarkeerde teksten