De betekenis van de planeten

als

exponent van de Aarde

 

18.3

bladzijde 3 van 5

 

De buitenplaneten

Met de drie buitenplaneten, Mars, Jupiter en Saturnus, is het anders gesteld. In hun omloopbaan rond de Zon omvatten zij op hun beurt ook de omloopbaan van de Aarde en daarmee ook van de binnenplaneten; hun positie is daarmee dominant.

Vanaf de Aarde zien wij deze drie ieder in hun eigen tempo in hun omloopbaan bewegen: Hun posities zijn niet aan elkaar gekoppeld en als groep vormen zij dus geen onderling samenhangend verband. Dit geeft hen een wezenlijk andere uitwerking dan de groep binnenplaneten. Met hun onafhankelijke positie kunnen zij met elkaar in een conflictrelatie terecht komen. Zo staan in fig. 18.3.1 Jupiter en Mars tegenover elkaar met de Aarde er tussenin. Wanneer we deze stand vanuit de Zon bezien is dit geen oppositie, maar vanuit de Aarde wel. Astrologisch gezien ondervindt de Aarde dan ook de spanning van deze oppositie.

Bovendien overbrugt Saturnus deze oppositie hier vierkant, waardoor de afvloeiing van de spanning niet soepel verloopt. Dit geeft een extra lading aan deze samenstand, die eventueel ook als een geladen vermogen kan uitwerken.

fig 18.3.1 De buiten-planeten vanuit de Aarde gezien in conflict

 

Omdat deze drie 's nachts de enige planeten zijn die met het blote oog te zien zijn, worden zij van oudsher verbonden met de nachtelijke hemel. Gezamenlijk worden zij ook wel het Ich genoemd.

In hun posities ten opzichte van de Aarde kunnen we nu de basisbetekenissen van beide planeetgroepen gaan herkennen en gedifferentieerde benoemen: de binnenplaneten staan voor eenheid en vereniging, terwijl de buitenplaneten staan voor uit-een-zetten, differentiatie en afscheiding.

 

Volle Maan

Een belangrijke aanvulling hierop is de positie van de Maan ten opzichte van de beide groepen.

Bij volle Maan staat de Maan tegenover de Zon. (*) De Aarde staat dan tussen beide in, zodat de verlichte kant van de Maan voluit naar de Aarde gekeerd staat. De volle Maan kan de nachtelijke hemel zelfs verlichten, domineert het hele schouwspel.

 

maanichkant

fig. 18.3.2 Volle Maan

 

De drie buitenplaneten kunnen dan, in het verlengde van haar positie achter haar staan; de tussengeplaatste Maan draagt hun lading dan als het ware naar de Aarde over.

 

Nieuwe Maan

De Maan kan echter ook aan de kant van de Aarde staan. Zon en Maan staan dan aan dezelfde kant van de Aarde, en de zonnestralen beschijnen dan achterzijde van de Maan; die zien wij niet. Het is dan nieuwe Maan. In die stand is de verschijning van de Maan niet veel meer dan een dun sikkeltje; zij domineert dan juist niet aan de hemel. Samen met de binnenplaneten trekt zij langs de dag-hemel en mede door het licht van de zon valt zij aan de daghemel niet op - is nauwelijks te zien. We moeten ons best doen om haar dunne lichtkring aan de hemel te vinden.

 

maaneskant

fig 18.3.3 Nieuwe Maan

 

Analoog daaraan is de invloed van de drie binnenplaneten ook minder opvallend of opdringerig. Zij melden zich aan de verborgen zijde van de Maan en werken gedrieën tegelijk in de mens uit. Hun invloed roept het geheel van een innerlijk verband op en werkt daardoor dieper en langduriger door.

 

Spiegeling in de Maanfasen

Deze beide planeetgroepen spiegelen zich dus in de schijngestalten van de Maan en werken via haar zowel polair als complementair op elkaar in.

 

De Aarde centraal

Tot zover deze eerste inordening van de twee planeetgroepen op grond van hun omloopbanen ter weerszijden van de Aarde.

 

 

literatuurlijst, onderwerpen per pagina, woordenlijst, afbeeldingen,

tabellen en schema's, blauw gemarkeerde teksten